|
In de Prinsentuin, het prachtige stadspark aan de rand van de binnenstad van Leeuwarden, bevinden zich een klein museum en een tempel gewijd aan de Friese beeldhouwer Pier Pander (1864-1919), een schippersjongen uit Drachten, die uitgroeide tot één van de belangrijkste kunstenaars van zijn tijd en het grootste deel van zijn leven in Rome doorbracht. Pier Pander, bij het grote publiek vooral bekend om zijn beeltenis van Koningin Wilhelmina op de Nederlandse munten en om de beeldengroep in de tempel, zocht zijn hele leven naar een combinatie van de klassieke ideeën over schoonheid en een eigentijdse invulling daarvan. Hij trachtte tot de kern te raken van mensen en dingen – hun ziel – en was van mening dat alleen de klassieke vormentaal die pretentie kon waarmaken. Daardoor is hij enerzijds een heel eigen, individueel kunstenaar geworden maar kan hij aan de andere kant ook worden gezien als een overgangsfiguur tussen de academische beeldhouwkunst en het ‘vrije’ werk dat aan het einde van de negentiende eeuw grote opgang maakte. Het Pier Pander Museum, dat na veel vertraging werd geopend in 1954, was het eerste museum in Nederland dat aan één kunstenaar gewijd werd. Pander gaf al tijdens zijn leven reproducties van zijn populaire werken uit, vermenigvuldigde en verkocht kopieën van de koninklijke portretten en legateerde uiteindelijk zijn ateliercollectie aan de gemeente die hem zou eren met een eigen museum. Maar al vlak na zijn overlijden brandde de discussie rond Panders werk in alle hevigheid los. Sommige critici in de media herdachten Pander met weinig respect, omdat zij zijn werk ‘ouderwets’ vonden. Onder meer zijn kinderportretten waren voor een aantal critici een steen des aanstoots. Ze zouden te zoet en te conservatief zijn. De tempel, geopend in 1924 Bij de opening van de tempel in 1924 zwegen de critici en vanaf dat moment pronkte op bijna iedere ansichtkaart van de Prinsentuin het trotse tempeltje, dat een vaste toeristische trekpleister van de Friese hoofdstad geworden was. In het laatst van zijn leven had Pier Pander (1864-1919) besloten zijn artistieke erfenis te vermaken aan de gemeente Leeuwarden, op voorwaarde dat het stadsbestuur zorg zou dragen voor een museum voor zijn ateliercollectie en voor zijn levenswerk. Dat was een groep van vijf beelden, die moest worden geplaatst in een sacrale omgeving, een tempel.
Tientallen jaren lagen er uiteindelijk tussen de opening van de tempel (1924) en het museum (1954), maar het is goed om ons te realiseren dat ook Pander zelf tientallen jaren nodig had voordat zijn idee van de beeldengroep in de tempel tot volle wasdom en uitvoering was gekomen. In de jaren tussen 1892 en 1895 rijpte bij Pander - die toen nog maar kort in Rome verbleef - het idee voor een beeldengroep. Over de uitvoering van de beelden deed hij acht jaar. Met het beeld Gedachte was de groep in 1904 voltooid. Toen volgde de lange zoektocht naar een juiste plek voor de tempel, waarbij uiteenlopende locaties de revue passeerden. Het Vondelpark in Amsterdam, de Oude Stadsbegraafplaats in Leeuwarden, de lijnbaan onderaan de Oldehove in de Friese hoofdstad: uiteindelijk bleek geen van deze plaatsen haalbaar.
Ook Panders wens om museum en tempel te combineren kon niet gerealiseerd worden. Het was wel zo praktisch geweest, maar het betere leek de vijand te worden van het goede, en het is dankzij het doorpakken van Panders vriend Th. baron Van Welderen Rengers en de Leeuwarder burgemeester Patijn geweest dat uiteindelijk in 1924 de Tempel kon worden geopend. Pander was toen al vijf jaar overleden.
Nog kort voor zijn dood had Pander aan zijn Italiaanse collega Ernesto Gazzeri gevraagd de vijf modellen van de beelden over te brengen in Carrarisch marmer.
Er volgden allerlei tegenslagen, maar tenslotte waren de beelden klaar aan het eind van 1921. In afwachting van de bouw van het museum werd de ateliernalatenschap voorlopig opgeslagen op de zolders van de Ambachtschool, om tijdens de oorlog nog te verhuizen naar de kelders van de Dienst Openbare Werken. Het museum, geopend in 1954 De bouw van het museum moest worden betaald uit de nalatenschap van Pander, waarop het vruchtgebruik van zijn verzorgster, mevrouw De Kanter berustte. Nadat zij overleden was, gooiden de oorlogsomstandigheden weer roet in het eten, zodat het tot 24 mei 1954 moest duren, voordat het Pier Pander Museum eindelijk kon worden geopend. Op de dag van de opening werd door de Nederlandse ambassadeur in Rome een krans gelegd op Panders graf. Ook toen al constateerde men dat nog slechts weinige aanwezigen op de begraafplaats Pander zelf hadden meegemaakt. Gedurende de decennia na de dood van Pander was het vooral diens universeel erfgenaam, de architect N.P. de Koo geweest, die onvermoeibaar was blijven streven naar de totstandkoming van het museum.
Het museum in de Prinsentuin maakte bij de opening deel uit van een cultureel centrum annex theeschenkerij, waarin tevens een hoogst moderne 'milkshakebar' werd gevestigd. Omdat in het cultureel centrum in de Prinsentuin ook hedendaagse Friese kunstenaars exposeerden, moet het fijnzinnige en classicistische werk van Pander toen eigenaardig hebben afgestoken tegen de andere kunstwerken in de belendende ruimten. Tegen het onder één dak huisvesten van een milkshakebar en de gipsen en reliëfs van Frieslands bekendste beeldhouwer had echter niemand een bezwaar. Nog één keer was er een opleving van de belangstelling voor de kunstenaar, toen Panders honderdjarige geboortedag werd gevierd in 1964. Er werd een bijzondere tentoonstelling gewijd aan zijn werk en er verschenen verschillende publicaties. In de jaren zeventig zakte de interesse voor Pander steeds verder weg. Heropening in 1976, verval Het centrum en het museum werden geëxploiteerd door de Frykse Kultuerried, tot deze halverwege de jaren zeventig uit de Prinsentuin vertrok. Daarna werd het beheer van tempel en museum overgenomen door Keramiekmuseum Het Princessehof. Er vond een bescheiden herinrichting plaats en op 30 april 1976 werd het Pier Pander Museum door burgemeester Brandsma heropend.
In 1989 organiseerde Stichting De Galerie een reeks tentoonstellingen in het Pier Pander Museum. Onder de noemer ‘Tegen de Keer’ (verwijzing naar de roman van Joris Karl Huysman, À Rebours) stelden bekende kunstenaars als De Vier Evangelisten en Herman Lamers hun werk tentoon. De ontwerper van het Nederlands Paviljoen in Shanghai, John Körmerling, werd voor deze tentoonstelling ook uitgenodigd, maar viel toentertijd helaas buiten de selectie aangezien hij het dak van het museum een halve meter wilde ophogen.
De belangstelling voor Panders werk taande steeds verder.
Uiteindelijk was het museum nog slechts op aanvraag open en raakten zowel de tempel, het museum als de collectie in verval. Dankzij subsidies van onder meer de Mondriaan Stichting konden tempel en collectie sinds de tweede helft van de jaren negentig hersteld worden. De restauratie van de collectie werd gedaan door Pier Terwen, het herstel van de tempel en het museum werd tenslotte begin 2007 voltooid. Heropening in 2007, manifestatie Sinds 2007 worden tempel en museum beheerd door het Historisch Centrum Leeuwarden, een onderdeel van de gemeente Leeuwarden, dat vanaf september 2007 direct aan de Prinsentuin is gesitueerd.
Met de Pier Pander manifestatie en de herwaardering van zijn werk die er hopelijk het gevolg van is, pakt Leeuwarden de draad van burgemeester J. Patijn weer op. Deze visionaire burgemeester zag de verplichting jegens Pander niet als een loden last, maar als een geweldige mogelijkheid voor de stad. Onder invloed van de veranderende tijdgeest ontbrak het in het verdere verloop van de twintigste eeuw wel eens aan dat inzicht.
De gerestaureerde Pander-erfenis heeft nu, na tientallen jaren, een nieuwe, interessante laag toegevoegd aan het historische sediment in deze hoek van de Friese hoofdstad. De schitterende Prinsentuin werd aangelegd door de tuinarchitect Roodbaard in de eerste helft van de negentiende eeuw op de plaats waar sinds 1648 de Friese stadhouders hun Lusthof hadden en waar de aanleg van de bolwerken (onder meer het bolwerk waarop de tempel staat) rond 1620 de macht en het aanzien van Leeuwarden hadden gesymboliseerd. Tegen dat historische en landschappelijke decor verdient de Pander-nalatenschap ook in de toekomst een passende plaats.
Alba Aan Pier Pander I Ziel Toen acht jaaren geleên ik Alba zag Voor ’t allereerst, verklaarde gij: “Zie, zij Is Ziel, en uchtendkrieken maakt zij vrij Uit zelfgeheim zich en blikt waar zij mag Haar bange leven speuren… Dauwteêr rag Daagde als een oorspronglicht om ’t kind van klei Dat, hoe zij rillend stond en blikte, blij Mijn hart deed kloppen om zóó nieuwen dag, Zorgvuldig in haar vochte windselen borgt Gij haar bevende schoonheid… ‘k Was bezorgd Als gij, toen ge Alba aan mijn blik ontnam… Nu zie ‘k haar weêr en levensbang als steeds Rijst ze uit haar zelfgeboorte – een ziel des leeds Maar Ziel, uit wie spat stralend ’s levens vlam! II Gedachte Toen stond ze alleen: nu rijst, zinnend Gedacht’ Ter zij en, vlinder, zweeft zijn voorhoofd klaar Bezieling om: zuidzonnestralend dáár Ziet hij plots wemelen waarop hij wacht… Zijn rechte hand omhoog bootst een gebaar Of even grijpen wilde wat hij lacht: ’t Oprijzend vizioen te omarmen tracht Hij onbewust, wordt hij diens lach gewaar… O Alba’s jong’re broeder – zielediep Gelijkt ge Uw’ zuster: moeder U en maagd Was ’t uit zich zelve, dat ze Uw wezen schiep En als wij allen heeft ook hij gevraagd In welk geheimnis beider oorsprong sliep En waar Gedachte is, waaruit Leven daagt… III Aandoening Maar trillend aan haar and’re zijde bloeit De Emotie op, aandoening, zuster blank Gelijk een luchte lelie stengelslank Der Ziel gelijk haar eigen glans ontgloeid Zij is Gedacht’, haar broer, terzij gegroeid Zij klonk hem, echo, na als speeltuig klank Heel haar kuische gestalte, bevend rank Is met de dauw van teerst gevoel omsproeid… Zij, aan de harp van Alba’s wereldlied Tokkelt de snaar, die’t geheimzinnigst klonk Naklank van heemlen, die onz’ ziel verliet, Zoodra vernederd ze op deez’ wereld zonk: Naklank, waaruit een ieder van ons duidt, Dat hij ’t symbool maar van zichzelv’verluidt… IV Moed en Kracht Maar om U drieën, manlijk, levenswarm Voltooit het tweeling broederpaar den boog Als nieuwe Dioscuren, uit wier oog Rustige zekerheid schiet, recht, strak, ferm. Blikte Alba’s levensziel zoo angstig, woog Haar ’t zijn zoo zwaar of smeekte zij “Bescherm”? Kracht, kalm bewust, is sterk gespierd de arm. Moed welft zijn borst breed als een wal omhoog. Zij banen ’t werklijk leven, recht en ruw Aan zuster twee en broeder, zieleschuw Die drieën, bevend naakt: Zij Moed en Kracht. Zij zijn Ziel, na Denken en Gevoel De arbeiders twee, zonder wie ’t aardsche Doel Nooit zoû bereikt, nooit de aardsche Taak volbracht. Rome, Januari 1903. L. Couperus. Voor het eerst verschenen in: Groot Nederland, 1903, I, blz. 519-522. Herdrukt in Richard Erbe, Louis Couperus, Nagelaten Werk, Assen/Amsterdam, 1975, blz. 3-6.
De timpel In honorem Pier Pander - In groete fan wa’t binne oan him dy’t wie; In tank oan wa’t de skientme wist en skôge; In hulde oan him yn wa’t, sa kein en wier De Geast har klearens barnde lyk in lôge.- Yngong. It libben riist yn stille leaflikheid, In blanke see yn Dages iere frede Dy’t dreamt en rûzet en jit foarmleas leit, Oerwekke fan Gods wêzen, de genede. Moarntiid:
Jou my de Dei, dat ik net ring fergean, Net lyk it twiljocht stjerrend yn de fierte; Lit myn ûnthjit, ta libbens hichten bean, Ienris de mieden mei in glâns oerjitte. Fieling: Jou my de Leafde, dat myn siele bloeit, En fielt it nije libben yn myn skerte; Dat har ûnierdske ropping yn my groeit, Al is hja swier, al parset hja it herte. Tinken: Jou my it Witten, dat myn geast ferstiet, Hok gruts him yn myn jonge dreamen foarmet; Dat, lyk in freon, it my ta Wiisheid liedt, En net yn iid’le koarte noft ferdoarmet. Moed: Jou my de striid; ik wit my ree: jou my Te stribjen dêr’t de stoarmen strûze en giere; Jou my it wraksljen mank de Dea syn tij, Nea sil my Eangst ta leffe flecht mear fiere. Krêft: Jou my it Wurk: ik tôgje it trou en goed; Lis op myn skouders wat jim sielen wolle; Ik bin mar feint; mar mei myn swit en bloed Wurdt inkeld it mienskiplik wyt ferfolle.
De Stimme: Stean ien yn bûn, doch elts jim eigen part, Fan ien wyt stjoerd, fan ien djip ljocht ferkleare; Elts dy’t him foar syn ropping suver wart, Sil tsjûgje meie: Ik haw dit mei formeare.
Ut: Douwe Kalma, Samle Fersen (Fryske Akademy, Ljouwert, 1996), 383-384. Foar it earst ferskynd yn de Leeuwarder Courant fan 24 maaie 1924.
|